Arsenio Rodríguez Snaren & Bas – Artiesten
De vader van het moderne Cubaanse conjunto: Arsenio Rodríguez voegde conga, piano en meer trompetten toe aan de son, bouwde zijn muziek strak op de clave, en legde zo het sjabloon voor de son montuno, de salsa en later de timba.
Over
Arsenio Rodríguez (Ignacio Arsenio Travieso Scull, Güira de Macurijes, Matanzas, 31 augustus 1911 – Los Angeles, 30 december 1970) speelde tres en tumbadora en schreef bijna tweehonderd nummers. Zijn familie had Kongo-wortels; zijn grootvader en overgrootvader praktiseerden het palo monte. Rond zijn zevende raakte hij blind toen een paard hem tegen het hoofd schopte. Later noemde men hem El Ciego Maravilloso, "de wonderbaarlijke blinde".
- Jeugd in Güines: met zijn broer Kike speelde hij tumbadora op rumbafeesten en leerde hij palo, yuka en santería-drums kennen. Op guateques leerde hij de son, en van tresero Víctor González de tres.
- Doorbraak (1937): het Orquesta Casino de la Playa nam zijn Bruca maniguá op, met Miguelito Valdés als zanger. Het werd een internationale hit.
- Zijn conjunto (1940): drie zangers, twee trompetten, tres, piano, bas, tumbadora en bongó. Er bestonden toen pas twee andere conjuntos. Dat van Arsenio werd in de jaren 40 het succesvolste.
- New York (1952): hij droeg zijn band over aan trompettist Félix Chappottín; met Lilí Martínez en Miguelito Cuní ging die verder als Conjunto Chappottín. In New York speelde hij met Chano Pozo, Machito, Dizzy Gillespie en Mario Bauzá.
Wat hij veranderde
Volgens Kevin Moore duurde het "vijftig jaar voordat de Latijnse muziek had ingehaald wat Arsenio in de jaren 40 deed". Zijn son montuno werd het sjabloon voor de Cubaanse dansmuziek en de salsa.
- Terug naar het ritme: zijn nummers zijn duidelijk op de clave gebouwd. De hele band legde de nadruk op de twee offbeats die samenvallen met de gesyncopeerde stappen van de son. Daardoor danste je volgens Bebo Valdés vanzelf contratiempo. Die twee offbeats zijn ook de basis van de bombo-ponche.
- Een bas die zingt: hij liet zijn bassisten tumbaos van twee maten spelen, met een eigen melodie per arrangement. Volgens Moore was dat later cruciaal voor de timba, maar ook voor Motown, rock en funk.
- Cierres: zijn unisono-breaks, sterk op de clave gebouwd, noemen timbamusici nu een bloque.
- Gelaagde guajeos: trompetten, piano en tres speelden in elkaar grijpende ostinato's, zoals treseros uit Oriente in hun solo's deden. Die diablo zou volgens Arsenio de oorsprong van de mambo zijn.
- Een grotere band: een tweede en derde trompet (het begin van de Latijnse blazerssectie), de conga in de band, een grote cencerro bij de bongosero, en de piano in plaats van de gitaar.
📝 Bronnen