Rumba is wereldlijke Afro-Cubaanse muziek van percussie, zang en dans, ontstaan in de late 19e eeuw op de binnenplaatsen (solares) van arme wijken in Havana en Matanzas. Voor timba is het een van de belangrijkste bronnen: veel timbamuzikanten noemen rumba als hun grootste inspiratie.
Zie ook rumba onder dans en de geschiedenis van de rumba.
De kern bestaat uit claves en drie congatrommels:
Daarnaast klinken vaak de catá of guagua (een houten cilinder die met stokjes, palitos, wordt bespeeld), chekeré, maracas of een bel. Tot het begin van de 20e eeuw speelde men op houten kisten (cajones); daarna namen de tumbadora's hun plaats in.
Rumba draait om de clave van vijf slagen. De rumbaclave verschilt van de sonclave in één slag: de derde slag valt net iets later. Daardoor klinkt het patroon spannender en meer "achter de tel". In yambú en guaguancó wordt de clave in een tweedelige maat gespeeld, in columbia in een driedelige (6/8). Via mozambique, songo en timba kwam de rumbaclave ook in de populaire dansmuziek terecht.
Die opbouw is herkenbaar in timba: ook daar volgt na de cuerpo een montuno met coro's en pregones (zie elementen).
Latere vernieuwingen zijn de guarapachangueo van Los Chinitos uit Havana, een heel "pratende" speelwijze vol wisselingen tussen slagen en rusten, en de batá-rumba van AfroCuba de Matanzas, waarin batátrommels meespelen.
Los Muñequitos de Matanzas, Los Papines, Clave y Guaguancó, AfroCuba de Matanzas, Yoruba Andabo, Los Chinitos en Pancho Quinto.