Rumba Genres – Muziek

Rumba is wereldlijke Afro-Cubaanse muziek van percussie, zang en dans, ontstaan in de late 19e eeuw op de binnenplaatsen (solares) van arme wijken in Havana en Matanzas. Voor timba is het een van de belangrijkste bronnen: veel timbamuzikanten noemen rumba als hun grootste inspiratie.

Zie ook rumba onder dans en de geschiedenis van de rumba.

Instrumenten

De kern bestaat uit claves en drie congatrommels:

  • Tumba of salidor: de laagste trom, die het fundament legt.
  • Tres dos (segundo): de middelste trom, verweven met de tumba.
  • Quinto: de hoogste trom, die improviseert en reageert op zang en dans.

Daarnaast klinken vaak de catá of guagua (een houten cilinder die met stokjes, palitos, wordt bespeeld), chekeré, maracas of een bel. Tot het begin van de 20e eeuw speelde men op houten kisten (cajones); daarna namen de tumbadora's hun plaats in.

Rumbaclave

Rumba draait om de clave van vijf slagen. De rumbaclave verschilt van de sonclave in één slag: de derde slag valt net iets later. Daardoor klinkt het patroon spannender en meer "achter de tel". In yambú en guaguancó wordt de clave in een tweedelige maat gespeeld, in columbia in een driedelige (6/8). Via mozambique, songo en timba kwam de rumbaclave ook in de populaire dansmuziek terecht.

Opbouw van een rumba

  1. Diana: de voorzanger opent met lettergrepen zonder betekenis, het koor antwoordt met een eerste refrein.
  2. Canto: de voorzanger zingt lange, deels geïmproviseerde verzen, soms in de vorm van een décima (een strofe van tien regels).
  3. Montuno: koor en voorzanger wisselen elkaar af in vraag en antwoord; nu komen de dansers in beweging en neemt de quinto het voortouw.

Die opbouw is herkenbaar in timba: ook daar volgt na de cuerpo een montuno met coro's en pregones (zie elementen).

Stijlen

  • Yambú: de oudste en langzaamste stijl, solo of in paren gedanst.
  • Guaguancó: de populairste stijl, sneller dan yambú; een paardans. Zie Guaguancó.
  • Columbia: snel en energiek, in 6/8, vaak met een metalen bel; van oorsprong een solodans voor mannen, met plattelandswortels.

Latere vernieuwingen zijn de guarapachangueo van Los Chinitos uit Havana, een heel "pratende" speelwijze vol wisselingen tussen slagen en rusten, en de batá-rumba van AfroCuba de Matanzas, waarin batátrommels meespelen.

Invloed op de populaire muziek

  • Son: al op opnames uit de jaren 1920 spelen bongo's frasen die op de quinto lijken.
  • Mambo: de belpartijen van de timbales in de jaren 1940 zijn afgeleid van de guaguancópatronen op de guagua.
  • Songo: eind jaren 1970 haalde songo de guaguancó de populaire muziek in.
  • Timba: veel timbamuzikanten noemen rumba als hun belangrijkste inspiratiebron.

Bekende groepen

Los Muñequitos de Matanzas, Los Papines, Clave y Guaguancó, AfroCuba de Matanzas, Yoruba Andabo, Los Chinitos en Pancho Quinto.

Subpagina's


📝 Bronnen