De catá is een Cubaans slaginstrument uit het oosten van het eiland: een houten cilinder die met twee stokjes wordt bespeeld. In de rumba heet hij meestal guagua; het is hetzelfde instrument.
Traditioneel wordt de catá gesneden uit een uitgeholde boomstam. De speler slaat er met houten stokken of stokjes op (in de rumba palitos genoemd). Het instrument heeft geen vel: het hout zelf klinkt, wat een droge, harde klank geeft. In de rumba wordt de guagua ook beschreven als een uitgehold stuk bamboe.
In de tumba francesa, de traditie van Haïtiaanse oorsprong in Oost-Cuba, speelt de catá het hoofdritme: een cinquillo-patroon waarop de trommels voortbouwen.
In de rumba werd de catá onder de naam guagua opgenomen. Daar speelt hij een vast patroon dat samen met de claves de clave neerzet, vooral in de guaguancó. Die guaguancópatronen op de guagua klinken later door in de belpartijen van de timbales in de mambo van de jaren 1940.
Tegenwoordig vervangen rumbaspelers de catá vaak door een caja china (een houtblok) of een plastic jamblock.