De cajón de rumba is een houten kist die met de handen wordt bespeeld. Op zulke kisten werd de vroegste Cubaanse rumba gespeeld, voordat de congatrommels hun plaats innamen.
In de 19e eeuw kwamen in de havens van Havana en Matanzas kisten met geïmporteerde vis aan, vooral kabeljauw. Afro-Cubaanse havenarbeiders gebruikten ze al snel als trommels. Er waren twee soorten kisten: kleine kaarsenkistjes en grotere kabeljauwkisten. Ambachtslieden maakten ze geschikt om rumba op te spelen, in de solares van de havenwijken. In plaats van claves sloeg men soms twee houten lepels tegen elkaar.
Het oudste stel bestond uit twee kisten; later werd het een trio van drie maten. Wikipedia onderscheidt:
In Matanzas heten de drie meestal caja, tres dos en quinto (ook golpe, seis por ocho en repicador): de caja is de bas, de quinto improviseert. Een cajón is een rechthoekige kist of een omgekeerde piramide, van ceder, majagua, grenen of multiplex, en wordt met blote handen bespeeld.
Eind 19e eeuw werden cajones op het platteland en bij de suikerfabrieken gebruikt als vervanging voor trommels, die schaars of verboden waren. De opzichters lieten ze toe, omdat ze niet als muziekinstrument golden maar als kisten waarin het eten werd vervoerd. Ook in de stad vervingen cajones vanaf de 19e eeuw de trommels bij santería-feesten: er waren weinig gewijde sets batá, en een toque op cajones kostte rond 1950 minder dan de helft. Gewijde cajones voor santería-feesten heten cajones de fundamento.
De cajón al muerto (ook cajón para eggun of rumba de muerto) is een feestelijke ceremonie voor de niet-vergoddelijkte voorouders, de eggun, binnen de Regla de Ocha. Vooral in Matanzas wordt hij veel gehouden. Het is een vrij nieuwe traditie, waarin santería, spiritisme en de Regla de Palo samenkomen met de rumba. Achter de ceremonie staat het spreekwoord Ikú lobi Ocha, "de dode baart de heilige": eerst worden de doden geëerd, dan de Orisha's.
Het ensemble bestaat uit drie cajones (tres dos, caja en quinto), met clave, een chekeré, een bel en de guagua. Gespeeld worden rumba (yambú, guaguancó en columbia), bembé, ritmes van de Palo (makuta, yuka en palo), abakuá en Haïtiaanse merengue. Vóór het feest spelen de cajoneros een oru seco voor de doden, vergelijkbaar met de oru seco van de batá.
Begin 20e eeuw hadden de tumbadora's de cajones grotendeels vervangen. Toch worden ze nog bespeeld, ook in moderne stijlen zoals de guarapachangueo. Bekende spelers zijn Pancho Quinto, die de instrumenten ook bouwde, en Miguel "Angá" Díaz.
De Afro-Peruaanse cajón, die je tegenwoordig vaker ziet, lijkt op de Cubaanse, maar is een eigen instrument.