De chekeré (ook chequeré of aggüe) is een uitgeholde kalebas, bedekt met een net waarin kralen of zaden zijn geregen. Het instrument komt van de Yoruba in West-Afrika en wordt in Cuba veel gebruikt in heilige en populaire Afro-Cubaanse muziek.
Een gedroogde kalebas wordt uitgehold en bedekt met een geknoopt net van kralen of zaden; in Cuba is hij zo'n 50 cm lang. De speler schudt hem, zodat de kralen tegen de kalebas slaan, en slaat met de handpalm op de onderkant. Je kunt de kalebas ook in één hand laten rusten en met de andere aan de hals draaien: dan schuift de kalebas onder de kralen door en ontstaat een schurend geluid. Grote, harde zaden geven een droge, felle klank.
De chekeré komt uit Yorubaland, dat delen van Nigeria, Benin en Togo beslaat; de Yoruba-naam is ṣẹ̀kẹ̀rẹ̀. Priesters en ingewijden gebruikten hem om voorspoed aan te trekken en verdriet te verdrijven.
In Cuba wordt de chekeré meestal gespeeld in een trio van drie maten. Volgens de Cubaanse encyclopedie EcuRed heten die salidor (klein), segundo (middel) en caja (groot), of van laag naar hoog caja, mula en cachimbo. Dit ensemble heet ook toque de güiro: het begeleidt de gezangen en dansen voor elke Orisha en heeft een feestelijk karakter. Na de batá-trommels zijn de chekerés de belangrijkste instrumenten van de santería.
In de rumba en de conga markeert één chekeré de puls, een rol die vroeger andere ratels speelden.