Gagá is een processietraditie die met Haïtiaanse landarbeiders begin 20e eeuw naar Oost-Cuba kwam. In Haïti heet ze rará, in de Dominicaanse Republiek gagá. Ze valt in de Goede Week.
Deze video staat op YouTube. Bij afspelen gaan gegevens naar YouTube (Google), dat cookies kan plaatsen. Privacy
Deze video staat op YouTube. Bij afspelen gaan gegevens naar YouTube (Google), dat cookies kan plaatsen. Privacy
Deze video staat op YouTube. Bij afspelen gaan gegevens naar YouTube (Google), dat cookies kan plaatsen. Privacy
Volgens Yanique Hume werd gagá deel van het culturele landschap van Oost-Cuba met de komst van Haïtiaanse arbeidsmigranten begin 20e eeuw. Eerst was het geheim, en werd het alleen onderhouden door de vodú-genootschappen (sociétés). In de Haïtiaanse nederzetting Caidijé (Camagüey) ontstonden de gagá-groepen al kort na de stichting van het dorp; een gagá-genootschap werd er in 1926 opgericht.
Wanneer
Gagá viel samen met de vrije week die de arbeiders kregen in de Goede Week (Semana Santa). Na de repetities volgt een processie door de rietvelden op de zaterdag vóór Paaszondag.
Muziek en dans
Instrumenten: de bamboetrompetten vaksin zijn het instrument dat het meest met rará en gagá wordt verbonden. Daarnaast klinken trommels, de tambourin, een schoffelblad dat met metaal wordt bespeeld, en de schelp lanbi.
Dans: de groepen trekken door de rietvelden. Machetedansers (majó machetes) voeren zwaardroutines uit, die in bezetenheid kunnen overgaan, met schijngevechten rond een vuur.
Op het podium: toen folkloristische groepen gagá op het toneel brachten, ging volgens Hume veel van de gewijde betekenis verloren. Een oud-directeur van het Conjunto Folklórico de Oriente zei: "We moesten het schoonmaken en er kunst van maken."