Eleguá is de poortwachter van kruispunten en de opener van alle ceremonies. In zijn dans speelt hij als een kind en plaagt hij het publiek.
Volgens EcuRed rent Elegguá, als hij neerdaalt, weg en verstopt hij zich achter de deur. Dan springt en kronkelt hij, trekt kinderlijke gezichten en speelt als een kind. Een kenmerkende pas is op één been staan en snel ronddraaien. Hij plaagt het publiek en kan onverwacht verdwijnen en weer opduiken; sommige bewegingen zijn behoorlijk sensueel. Met zijn garabato (haakstok) beeldt hij uit hoe hij een pad door dicht struikgewas vrijmaakt. De andere dansers doen zijn bewegingen na, alleen of in groepjes, tegen de klok in.
Elegguá krijgt volgens EcuRed altijd een garabato, een haakstok van guavehout: zijn machtsobject, waarmee hij in de dans uitbeeldt dat hij een pad door het struikgewas vrijmaakt. Zijn kleuren zijn rood en zwart (of wit en zwart); hij draagt een slipjas, een korte broek en een rode hoed, met zwart gecombineerd en versierd met kraaltjes en kaurischelpen.
Volgens EcuRed is Elegguá "de eerste die wordt geroepen bij elke religieuze handeling of elk feest", en de laatste die afscheid neemt. Ook de oru seco begint met de toques voor Eleguá, die de deuren opent naar alle mogelijkheden.
Toques: in de oru seco krijgt Elegguá als eerste drie toques: Latopa (La Topa), Bobo Araye en Abukenke. Zie de Eleguá-toque.